Vermeende vaders
Vermeende vaders
Het gerucht gonst al jaren: tien procent van de mensen heeft een andere vader dan gedacht. Klopt dat?
Hij wilde bloed, bloed van duizend pasgeboren baby’s. En meteen ook het bloed van de bijbehorende ouders. Daarom ging Dr. X naar de kraamafdeling van een Amerikaans ziekenhuis. Het klinkt als het begin van een horrorverhaal, maar het was serieus wetenschappelijk onderzoek. Dr. X deed in de jaren veertig van de vorige eeuw een studie naar menselijke bloedgroepen. Hij wilde weten in hoeverre we de samenstelling van ons bloed erven van onze vader en moeder. Terug in zijn laboratorium vergeleek Dr. X de bloedgroep van de baby’s met die van de ouders. Daarbij kwam hij tot een schokkende conclusie, schrijft de Amerikaanse wetenschapper en bestsellerauteur Jared Diamond in zijn boek De Derde Chimpansee: elke tiende baby bleek het resultaat van overspel. Dat is één kind in elk voetbalelftal, drie in elke volle kleuterklas. Diamond, die zijn boek in 1992 publiceerde, beweert het verhaal van de mysterieuze wetenschapper zelf gehoord te hebben. Deze verzocht hem anoniem te mogen blijven. ‘Toen Dr. X zijn ontdekking deed, rustte er een taboe op onderzoek naar de seksuele praktijken van de Amerikaanse bevolking’, schrijft Diamond. ‘Hij besloot de resultaten zorgvuldig geheim te houden en ging niet over tot publicatie, en ik moest alles in het werk stellen om zijn resultaten te krijgen.’
België is even erg
Tien procent bastaardkinderen? Het gerucht zingt al jaren rond in krantenberichten en op verjaardagsfeesten. De Vlaamse auteur Dirk Draulans schermt in zijn recent uitgekomen boek Het succes van slechte seks met een vergelijkbaar getal. Hij schrijft dat hij tijdens een diner naast het hoofd van een universitair centrum voor menselijke erfelijkheid kwam te zitten. Hij vroeg ‘de geachte hoogleraar, die stevig aan de wijn had gezeten, op de man af of hij zicht had op de zaak’. Dat bleek het geval. ‘Hij stelde dat zij in acht procent van de gevallen geconfronteerd werden met een embryo dat genetisch niet afkomstig was van de man die er officieel vader stond te wezen.’
Een alinea later reproduceert Draulans ‘een dramatisch verhaal (...) dat ik niet heb kunnen verifiëren’. Het komt van een oudere dame die hoofdverpleegster was geweest op de afdeling transplantaties van een groot Nederlands ziekenhuis. Ze vertelde de auteur over beenmergtransplantaties voor kinderen die leden aan leukemie. Tien procent van de vaders die beenmerg wilden afstaan voor hun zieke kind bleek helemaal de vader niet te zijn. ‘Drama’s’, schrijft Draulans, ‘want niet alleen krijg je te maken met een doodziek kind, je krijgt ineens te maken met een doodziek kind waarvan je niet de vader bent.’
Studies zijn zeldzaam
Geen gebrek aan anekdotisch bewijs. Maar wat is de waarde daarvan? Zulke verhalen zijn meestal afkomstig van mensen die niet met naam genoemd worden. Of het zijn cijfers uit nooit gepubliceerde studies. Dat riekt naar broodjeaapverhalen. Want waar zijn de harde bewijzen? Natuurlijk, er zijn her en der studies gedaan naar non-paterniteit, het verschijnsel dat de vermeende vader niet de vader is. Maar er is vrijwel altijd iets op aan te merken, schrijft de Amerikaanse antropoloog Kermyt Anderson in 2006 in het tijdschrift Current Anthropology.
Anderson verzamelde 67 studies naar non-paterniteit en probeerde daaruit conclusies te trekken. Een deel van die onderzoeken kwam van laboratoria die vaderschapstesten uitvoeren. Representatief voor de gehele bevolking zijn de cijfers die bij zulke labs vandaan komen natuurlijk niet. Mensen die daar aankloppen ruiken onraad. En gemiddeld blijkt dat in circa dertig procent van de gevallen terecht. Een tweede groep studies die door Anderson verzameld werd, is interessanter. Ze zijn afkomstig van genetische laboratoria die onderzoek doen naar erfelijkheid. Non-paterniteit is daar een toevalstreffer, een bijvangst bij ander onderzoek.
Goede test is lastig
Anderson denkt dat de deelnemende vaders in die tweede groep studies ervan uitgaan dat ze daadwerkelijk de vader zijn. Hier komt non-paterniteit dan ook aanzienlijk minder voor: tussen 0,4 procent (bij Joodse priesters) tot 11,8 procent (bij 396 kinderen in de Mexicaanse staat Nuevo León). Cijfers rond de tien procent zijn echter uitzonderlijk. De meeste studies komen uit op één tot drie procent. Maar ook hier zou sprake kunnen zijn van een vertekend beeld. Want wat als de moeder twijfelt of de vermeende vader wel de vader is? Dan weigert ze misschien om mee te werken aan welk genetisch onderzoek dan ook.
Hoe zou je dan non-paterniteit moeten bepalen? In het ideale geval doe je een onbevooroordeelde steekproef. Je selecteert willekeurig vele honderden mensen uit de bevolking. Van die mensen en hun ouders neem je wangslijm af, om daar vervolgens in het laboratorium het dna uit te winnen. Dit dna vergelijk je met het dna van de vermeende ouders. Het is een hele klus, en het cijfer benadert de werkelijkheid alleen als mensen verplicht zijn mee te doen. Dat is niet te verkopen aan ethische commissies die dit soort wetenschappelijke onderzoek moeten goedkeuren. Een dergelijk onderzoek is dan ook nooit gedaan.
Niet vaak ontdekt
Kunnen we ondanks alle valkuilen iets zeggen over non-paterniteit in Nederland? De genetische laboratoria van de academische ziekenhuizen in Nederland doen jaarlijks honderden onderzoeken naar erfelijkheid. Bij sommige onderzoeken analyseren ze zowel het dna van ouders als dat van een kind. Rondvraag leert dat deze labs inderdaad af en toe stuiten op gevallen waarbij de vermeende vader niet de vader is. ‘Bij sommige onderzoeken maken we een soort dna-profiel van het kind en de ouders’, zegt Ruud van den Bogaard van het laboratorium van het AMC in Amsterdam. ‘Dat is te vergelijken met het dna-profiel dat forensische laboratoria maken bij politieonderzoek. Alleen kijken wij naar die delen van het dna waar we een genetisch defect vermoeden.’ Omdat het dna van kinderen een combinatie is van het dna van beide ouders, moet elk stukje dna van het kind bij de vader óf bij de moeder terug te vinden zijn. Is dat niet het geval, dan is de vader vermoedelijk niet de vader.
Door het voortschrijden van de techniek, komt zulk onderzoek echter steeds minder voor. Daardoor neemt de kans af dat non-paterniteit bij toeval in een academisch laboratorium wordt ontdekt. ‘We kennen nu het hele menselijk genoom’, zegt Van den Bogaard. ‘Bij de meeste aandoeningen die we onderzoeken, weten we precies naar welk gen we moeten kijken. Vaak hoeven we daarom het dna van de ouders niet eens meer te bekijken. Non-paterniteit valt daardoor veel minder vaak op.’ Van den Bogaard schat dat het laboratorium van het AMC jaarlijks ruim 5000 onderzoeken doet. Bij circa 300 daarvan bestaat de kans dat non-paterniteit opduikt. ‘Maar ook bij die onderzoeken bestaat de kans dat we het over het hoofd zien. Want we zijn er niet specifiek naar op zoek.’
Lab registreert niet
Helaas ontbreken harde cijfers, want geen enkel lab registreert hoe vaak non-paterniteit als bijvangst optreedt. Toch zijn enkele onderzoekers bereid tot een schatting. Volgens Ruud van den Bogaard heeft het dna-laboratorium van het AMC de laatste tien jaar ruim 30.000 onderzoeken gedaan. Slechts enkele malen troffen de laboranten een vader die de vader niet was. ‘Ik zou zeggen dat het een getal ver onder de tien procent is. Ik vermoed zelfs, dat het geen procent van het totaal is.’
Bernadette van Nesselrooij, hoofd van de sectie klinische genetica van het UMC Utrecht, schat dat haar lab in de loop der jaren 30.000 dna-onderzoeken heeft uitgevoerd. ‘Het aantal keren dat non-paterniteit is gebleken, is op de vingers van één hand te tellen.’ En ook Monique Losekoot van het Laboratorium voor Diagnostische Genoomanalyse van het Leids Universitair Medisch Centrum heeft haar twijfels over die mythische tien procent. ‘Dat halen wij zeker niet. Zelf doe ik jaarlijks 75 tot 150 onderzoeken waarbij ik non-paterniteit zou kunnen tegenkomen. Ik ontdek het maximaal één keer per jaar.’
© Rik Kuiper / Quest - het is ten strengste verboden deze tekst of delen van deze tekst over te nemen zonder toestemming van de auteur.
Door Rik Kuiper - Quest, augustus 2009