Fataal virus
Fataal virus
Vorig jaar ging een Nederlandse vrouw op vakantie naar Oeganda. Terug in Nederland werd ze ernstig ziek. De artsen stonden voor een raadsel.
Donderdag 3 juli 2008, ochtend, Milheeze (Noord-Brabant)
Het zal wel een griepje zijn, dacht Jaap Taal toen zijn vrouw een dag eerder met hoofdpijn, spierpijn en koorts was thuisgekomen. Maar helemaal gerust was hij niet. Koorts is een duister voorteken als je net terug bent uit Afrika.
Vandaag werkt hij thuis, dat doet hij vaker. Hij zit op zolder, achter zijn computer. Maar zijn gedachten zijn niet bij het werk. Jaap typt twee woorden in het invulscherm van Google: ‘symptomen’ en ‘malaria’. Rillingen, spierpijn, hoofdpijn, leest hij. Maar bij malaria fluctueert de koorts. Onwaarschijnlijk dus. Want vanmorgen gaf Astrids thermometer 38,5 aan. Evenals de avond daarvoor.
‘Q-koorts’, typt Jaap. De laatste maanden is een aantal mensen in Brabant ziek geworden van deze bacterie. Ze kregen griepachtige verschijnselen. Maar Astrid heeft geen Q-koorts. Het wordt overgebracht via schapen, geiten en koeien. En Astrid is al tijden niet meer in de buurt van een boerderij geweest.
Zaterdag 5 juli, nacht, Milheeze
‘Kun je de huisarts bellen?’ De wekkerradio geeft half drie aan, maar Jaap pakt meteen de telefoon. Voordat ze naar bed gingen, had Astrid geklaagd over pijn op haar borst. En haar koorts was opgelopen tot bijna veertig graden. Bovendien was zijn vrouw normaal met geen tien stokken naar de dokter te slaan.
De arts in de huisartsenpost in het Elkerliekziekenhuis in Helmond, een kwartier rijden vanuit Milheeze, onderzoekt Astrid. Hij beluistert haar longen en klopt op haar rug. Maar hij ontdekt niets geks. Wel meet hij 40,2 graden koorts. Hij besluit haar door te sturen naar de Spoedeisende Hulp. Daar maken ze een röntgenfoto. Ze concluderen dat ze geen longontsteking heeft. Haar bloed vertoont geen sporen van malaria. ‘Ik zal haar wel weer mee naar huis krijgen’, denkt Jaap. Maar ze moet blijven. Ze was pas nog in Afrika.
Jaap rijdt naar huis om een paar uur te slapen. Wanneer hij ’s middags in het ziekenhuis terugkeert, is de koorts van Astrid opgelopen tot 40,7. Ze heeft nog altijd spierpijn en hoofdpijn. Ze valt steeds in slaap. En nog steeds hebben de artsen geen idee wat haar mankeert.
Maandag 7 juli, middag, Milheeze
Tussen de bezoeken aan het ziekenhuis struint Jaap het internet af, op zoek naar tropische ziekten. Zijn aandacht wordt getrokken door het ebolavirus. Het komt voor in de regenwouden in Afrika, is zeer besmettelijk en veroorzaakt een hemorraghische koorts: een koorts die gepaard gaat met spierpijn, hoofdpijn en inwendige bloedingen. De ziekte kan tot de uitval van organen leiden, en uiteindelijk tot de dood. Maar verontrustender dan de symptomen is het volgende: een half jaar eerder zijn in de Oegandese provincie Bundibugyo tientallen mensen aan het virus gestorven. Het epicentrum lag slechts twintig kilometer van een plek waar ze onlangs samen waren.
Donderdag 19 juni 2008, Maramagambo Forest, Oeganda
Warm is het in de Python Cave, zeker vijftien graden warmer dan buiten. De bodem is glibberig door de uitwerpselen van de duizenden vleermuizen die op hun kop aan het plafond hangen. Sommige hebben de vleugels als een lange regenjas om zich heen geslagen, andere houden ze verder van hun lichaam, klaar om op te vliegen. Allemaal hebben ze hun ogen wijd opengesperd.
Tientallen vleermuizen cirkelen zenuwachtig in het rond, opgeschrikt door de flitslichten van de camera’s en de mijnwerkerslampen die Jaap, Astrid en de twee andere Nederlandse toeristen op hun hoofd dragen. Soms voelt Jaap de lucht bewegen, zo dicht naderen de dieren zijn lichaam. Maar ze weten hem telkens op het nippertje te ontwijken. En het gekrijs! Het gekrijs is oorverdovend.
‘Wat voor vleermuizen zijn dit eigenlijk?’ vraagt een van de toeristen. ‘Egyptische fruitvleermuizen’, antwoordt de Oegandese gids. ‘Egyptisch?’, vraagt Jaap. ‘Zijn ze verdwaald?’ En iedereen lacht.
Maandag 7 juli, middag, Milheeze
‘Mijn lever en mijn nieren houden ermee op’, zegt Astrid met zwakke stem door de telefoon. ‘Ik word naar een ander ziekenhuis overgeplaatst.’ Jaap rijdt naar Helmond, waar hij ziet hoe de verpleging zijn vrouw in een isolatiekamer legt. De artsen vrezen besmettingsgevaar.
Om bij haar te komen, moet Jaap door twee deuren. In het halletje tussen de deuren knoopt hij een papieren schort voor, hij schuift handschoenen om zijn handen en bindt een mondkapje voor. Op de terugweg trekt hij alle bescherming weer uit. Het verdwijnt in een klaarstaande prullenbak. Zijn handen ontsmet hij meerdere malen met alcohol.
De artsen verdenken nog drie ziekteverwekkers. Allereerst de leptospirosebacterie. Die kan worden overgebracht via de urine van ratten. Voor de zekerheid krijgt Astrid antibiotica toegediend. Maar het kan ook een virus zijn, zegt een arts tegen Jaap. Lassakoorts misschien. Of anders het marburgvirus. ‘Dat laatste’, zegt hij, ‘is verwant aan het ebolavirus.’
Maandag 7 juli 2008, avond, Elkerliekziekenhuis
Broeders in beschermende pakken tillen Astrid ’s avonds om elf uur in een ambulance. Die brengt haar naar het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Daar is meer kennis over tropische ziekten.
Jaap rijdt met zijn eigen auto over de nachtelijke snelwegen richting Leiden, een tocht van ruim anderhalf uur. Tussen Den Bosch en Utrecht draait hij het telefoonnummer van Leo Joosten, de broer van Astrid. Leo zit thuis achter zijn computer. Samen nemen ze de mogelijke oorzaken van haar ziekte door. Lassakoorts? Een virusziekte die een hemorrhagische koorts veroorzaakt. Maar: lassakoorts komt niet in Oeganda voor. Marburg wel? Ja, marburg wel. Veroorzaakt eveneens een hemorrhagische koorts. Zorgt ervoor dat lever en nieren ermee ophouden. En er is geen medicijn tegen. ‘Het is te hopen dat dat het niet is’, zegt Jaap.
Leo leest verder. ‘Het marburgvirus wordt waarschijnlijk verspreid door vleermuizen’, zegt hij.
‘Vleermuizen?’, vraagt Jaap. ‘Welke vleermuizen?’
‘Rousettus aegyptiacus’, zegt Leo. ‘De Egyptische fruitvleermuis.’
Dinsdag 8 juli 2008, nacht, LUMC
Daar zijn ze weer: wegwerpschort, handschoenen, mondkapje. Toegevoegd is een grote transparante kap, die over ogen, neus en mond hangt. Het marburgvirus reist niet door de lucht, zoals een griepvirus. Maar elke druppel lichaamsvocht van een patiënt draagt miljoenen kopieën van het virus bij zich. Bloed, braaksel en uitwerpselen. Zweet en tranen vermoedelijk ook.
Astrid ligt op de intensive care, in een kamer met een sluis. Buiten de kamer is de luchtdruk hoger dan binnen. Mocht er een lek ontstaan, dan kan geïnfecteerd materiaal de kamer niet verlaten. Astrid fluistert. Maakt alleen nog korte zinnen. Haar lever is verder aangetast. Haar bloed stolt niet meer. Maar de artsen blijven bloed prikken. Het verband kleurt rood. Wordt verwisseld om opnieuw rood te kleuren.
Astrid krijgt stollingsmiddelen. Ze krijgt antibiotica. Ze krijgt vloeistof die moet voorkomen dat ze uitdroogt. Jaap telt de slangen die haar armen en benen verbinden met zakjes en apparaten. Twintig, misschien zelfs meer.
Dinsdag 8 juli 2008, middag, LUMC
De artsen nemen Jaap apart. Zijn vrouw krijgt veel medicijnen, zeggen ze. En ze moet er nog meer hebben. Dus gaan ze haar in coma brengen, want meer pijn kan ze waarschijnlijk niet aan. Wil hij afscheid van haar nemen? Want misschien wordt Astrid niet meer wakker. In de sluis bindt Jaap een papieren schort voor. De handschoenen, het mondkapje en de plastic kap laat hij liggen.
Hij opent de deur en ziet zijn vrouw liggen. Rustig loopt hij op haar af. De artsen en verpleegsters zien dat hij onbeschermd is. Maar ze houden hem niet tegen. Met zijn blote handen streelt hij Astrids arm. Die voelt klam aan. Zweet. Maar het kan hem niet schelen. Hij weet dat hij pas een gevaar voor anderen is wanneer hij zelf ook koorts krijgt. Dan zal hij in de auto stappen en zich direct melden bij het LUMC. Een isolatiekamer is al voor hem in gereedheid gebracht.
‘Astrid, ze gaan je in slaap brengen’, zegt hij. ‘Als je over een paar dagen wakker wordt, dan heb je geen pijn meer.’ Ze hoort zijn woorden. Denkt heel even na. En schudt dan langzaam haar hoofd. Jaap geeft zijn vrouw een kus op haar lippen. Ze zijn kurkdroog.
Woensdag 9 juli, avond, LUMC
De lever en de nieren Astrid zijn ermee opgehouden. Hart en longen zijn beschadigd. En haar hersenen hebben het een paar minuten met weinig zuurstof moeten doen. Jaap luistert naar de artsen. En hij beseft dat het beter is als ze niet meer wakker wordt.
Donderdag 10 juli, late avond, LUMC
Met wegwerpschort, handschoenen, mondkapje en plastic kap zit Jaap naast het bed. Het lichaam van Astrid is opgezet door de medicijnen die haar lichaam in zijn gepompt. Gisteren dertien liter, vandaag nog eens acht. Het mocht niet baten.
Wat Jaap al vermoedde, is die ochtend bevestigd. De afdeling virologie van het Bernhard-Nocht-Institut für Tropenmedizin in Hamburg heeft het bloed van Astrid geanalyseerd. De laboranten troffen het marburgvirus aan.
De familie, tien man sterk, kijkt door een raam de kamer in. Ze komen afscheid nemen. De artsen hebben rond een uur of acht vanavond geconstateerd dat Astrid hersendood is. Even na middernacht schakelen ze de beademingsapparatuur uit. Binnen tien minuten stopt ze met ademen. Het virus heeft gewonnen.
Meer informatie:
www.astridugandafoundation.com: Jaap Taal heeft ter nagedachtenis aan zijn vrouw een stichting opgericht om weeskinderen in Oeganda te helpen.
© Rik Kuiper / Quest - het is ten strengste verboden deze tekst of delen van deze tekst over te nemen zonder toestemming van de auteur
Door Rik Kuiper - Quest, juni 2009