Lichaam 08/50
Lichaam 08/50
Naast begraven en cremeren is er een derde mogelijkheid. Wat gebeurt er met lichamen die aan de wetenschap worden geschonken? Een bezoek aan het anatomisch lab.

Foto: Diederik van der Laan
Een betegelde gang met aan beide zijden koelkasten tot het plafond. Simon Plomp, witte jas, blauwe handschoenen, opent een roestvrijstalen deur. Hij schuift een stalen bed op de gereedstaande kar. Er ligt een pakket op, het witte zeil verraadt de contouren van een mens: een hoofd, een forse buik, omhoog stekende voeten. Dit is lichaam 08/50, de vrouw is anderhalve dag geleden gestorven.
Plomp werkt innig samen met de dood. Hij is prosector bij de afdeling anatomie van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht. Hier beheert hij de stoffelijke overschotten van mensen die hun lichaam hebben geschonken aan de wetenschap. Jaarlijks komen in Utrecht ongeveer honderd lichamen binnen. Na het AMC in Amsterdam heeft Utrecht de grootste collectie stoffelijke overschotten van Nederland. Dankzij deze mensen leren geneeskundestudenten hoe de nieren ten opzichte van de lever liggen. Dankzij hen hoeven hersenchirurgen nieuwe technieken niet te oefenen op een levend brein.
Maar voordat lichaam 08/50 als studieobject op de snijzaal terecht komt, gaat de prosector de strijd met de bacteriën aan. Die zijn na het intreden van de dood begonnen met het verorberen van de ingewanden. Om de ontbinding een halt toe te roepen, moet Plomp het lichaam balsemen. Liefst binnen 24 uur na het overlijden.
Studenten zijn nerveus
‘Er rust wat mij betreft geen taboe op dit onderwerp’, had Ronald Bleys een paar weken eerder gezegd. Van het hoofd van de afdeling anatomie mocht ik alles zien en overal over schrijven. Mits ik rekening hield met de privacy van de overledenen. Geen naam vermelden, geen sterfdatum en geen herkenbare lichamelijke kenmerken als tatoeages en gezwellen. En hoe zat het met grote oren of een kromme neus? Bleys dacht even na en zei toen: ‘Dat lijkt me geen probleem.’
Met een steen in mijn maag liep ik achter de anatoom aan, toen hij me bij onze tweede afspraak een rondleiding gaf over de afdeling. Eerst kreeg ik de microscoop te zien waarmee de anatomen preparaten bekijken. Vervolgens toonde hij een apparaat waarmee hij een lichaam in flinterdunne plakjes kon snijden, zodat mooie dwarsdoorsnedes zichtbaar worden. Ik knikte beleefd, maar was er niet helemaal bij. Achter elke dichte deur verwachtte ik een lijk. Mijn nervositeit was niet uitzonderlijk, zei Bleys toen we voor de deur van de snijzaal stonden. ‘De studenten zijn ook zenuwachtig als ze hier voor het eerst naar binnen moeten. Veel van hen hebben nog nooit een dode gezien.’
Het eerste stoffelijk overschot dat hij me toonde had geen hoofd. Het leek een rubberen pop, geel en taai. Bleys klapte een rechthoekig stuk huid opzij, waardoor ik de ingewanden kon zien. Stuk voor stuk wees hij ze aan: de longen, de lever, de nieren. Hier gaat men zakelijk met de dood om, besefte ik. Anatomen sleutelen aan breinen en benen als automonteurs aan accu’s en assen.
Bestelling: een half hoofd
Simon Plomp rijdt de kar met lichaam 08/50 naar de injecteerruimte. Het lijkt een keuken, overal staan pannen, emmers en vaten. De werkbladen liggen vol zagen, scalpels en pincetten. Tegen een muur staat een enorme weegschaal, ernaast een manshoge zaagmachine. In het midden van de felverlichte ruimte zit Willem van Wolferen, de andere prosector. Hij buigt zich over een afgezaagd hoofd. Met een oscillerende zaag (waarmee artsen in het ziekenhuis het gips van gebroken ledematen zagen) maakt hij het schedeldak los. Een neurochirurg heeft het brein nodig om er een nieuw type operatie op te oefenen.
De lichamen die hier binnenkomen blijven niet intact. Losse lichaamsdelen zijn vaak voldoende voor de studenten en de onderzoekers. Op een van de dagen dat ik op de afdeling anatomie was, ging de telefoon. Van Wolferen nam op, luisterde geduldig en vroeg toen: ‘Twintig benen? Moet de voet daar nog aanzitten? Goed. Ik zal even in de vriezer kijken.’
Diezelfde dag verscheen een man in de deuropening van de snijzaal met de vraag of er nog een half hoofd over was. Er waren bij het practicum meer kno-artsen komen opdagen dan verwacht. Van Wolferen zocht even in een stellingkast met witte emmers, haalde een los hoofd tevoorschijn en zaagde het met een lintzaag in tweeën. ‘Mooi gelukt’, zei hij toen hij het resultaat zag. ‘Het neustussenschot is precies doormidden.’
Doodsoorzaak is onbekend
Plomp vouwt het witte plastic opzij. Lichaam 08/50 blijkt een vrouw, klein van stuk maar fors gebouwd. Ze ligt vredig op haar rug: de armen naast het lichaam, de ogen en de mond gesloten. De schaar van de prosector knipt de jurk van het lichaam. Dan volgt de rest van haar kleding. Met een paar vlugge halen van een scheerapparaat ontdoet hij het hoofd van het grijze haar. Dat is hygiënischer.
De prosectoren weten weinig van een overledene. Naam, geslacht, leeftijd. Daar moeten ze het mee doen. Zelfs de doodsoorzaak kennen ze niet. De prosectoren kunnen wel een aantal veronderstellingen doen, door het lichaam van de buitenkant te inspecteren. ‘Ze heeft geen striae’, zegt Van Wolferen wanneer hij de buik van lichaam 08/50 heeft bekeken. ‘Vermoedelijk heeft ze geen kinderen.’ Twee forse littekens op de bovenbenen duiden op heupprotheses. ‘Dat heeft waarschijnlijk met haar overgewicht te maken.’ En hoe is ze gestorven? ‘Ze heeft geen doorligplekken. Een lang ziekbed zal ze niet gehad hebben.’
Zijn de prosectoren nooit benieuwd wat voor leven zo iemand gehad heeft? Welke gedachten zich uit zo’n brein hebben ontworsteld?
Van Wolferen: ‘Nee.’
Plomp: ‘Nee.’
Bloed stroomt niet
De balseming begint met een snee in de lies. Met een spreider duwt Plomp het gele vetweefsel weg. Na een paar minuten vindt hij de slagader: donkerroze en dik als een potlood. ‘Hij voelt goed aan’, zegt de prosector. ‘Er zit weinig kalk in.’ Het voorspelt een voorspoedige balseming.
Plomp maakt een sneetje in de lengterichting van de slagader. Een paar druppels bloed kruipen naar buiten. Het gutst niet, het stroomt niet. Nu het hart niet meer klopt staat er geen druk meer op de bloedvaten. De prosector schuift twee canules in de slagader, kromme stalen buisjes met aan het uiteinde een slangetje. De ene steekt hij in de richting van het hart, de ander richting tenen. Dan verbindt hij de slangetjes met een tank met formaline.
De balsemvloeistof kruipt naar binnen en verovert via de slagaders, de aders en de haarvaten het hele lichaam. Overal gaat de formaline direct aan het werk: het ketent eiwitten aan elkaar zodat chemische structuren ontstaan die niet verteren. De ontbinding komt tot stilstand.
Ondertussen graveert Plomp het nummer van dit lichaam op een paar plaatjes: 08/50, het vijftigste lichaam dat in 2008 is binnengekomen. Een van de plaatjes knoopt hij met een touwtje aan de grote teen van de linkervoet, dan volgt een plaatje om de grote teen van de rechtervoet. Ook de beide middelvingers worden gemerkt, evenals de oren. Zo is, ook wanneer het lichaam zijn reis op een gegeven moment in stukken voortzet, altijd te achterhalen van welk lichaam een lichaamsdeel afkomstig is.
Lichaam gaat in tank
Plomp hecht met een dikke draad de snee in de lies. Hij drukt zijn naald met kracht door de huid, rijgt verder en trekt de wond dicht tot alleen de canules er nog bovenuit steken. ‘Het gaat snel vandaag’, zegt hij wanneer hij ziet dat er in 25 minuten achttien liter formaline in het lichaam is gepompt. De huid van de vrouw is geler geworden. En ze heeft een dikkere nek en vollere lippen. Niet vreemd: er is meer vloeistof in het lichaam gepompt dan er weer is uitgekomen.
De prosector sluit de kraan en ontkoppelt de slangen. Dan rijdt hij het lichaam naar een aangrenzende ruimte. Hij bindt een zwarte riem om de bovenbenen en een tweede riem om de hals. Een kraan tilt het lichaam in een roestvrijstalen badkuip vol formaline. Het hoofd gaat onder, alleen buik en borsten steken boven het wateroppervlak uit. De prosector slaat een natte doek over het lichaam en legt dan voorzichtig een deksel op de tank.
Lichaam 08/50 moet hier enkele maanden blijven liggen. Tijdens deze periode dringt de balsemvloeistof ook door tot de delen van het lichaam waar geen bloedvaten liggen, zoals het kraakbeen, het hoornvlies en de buitenkant van de huid.
Daarna is dit lichaam klaar voor de snijzaal, waar studenten het zullen gebruiken om de weg te leren kennen in het menselijk lichaam. Ze halen de organen uit de buik, wegen ze op hun handen en stoppen ze weer terug. Ze maken de grote bilspier vrij om te zien hoe die zich vastgrijpt aan het bekken. En tenslotte, wanneer er niets meer te ontdekken valt, zal lichaam 08/50 in een eenvoudige houten kist terecht komen. Over een jaar of twee eindigt haar tweede leven in de verbrandingsoven van een crematorium. De wetenschap zal haar dankbaar zijn.
© Rik Kuiper / Quest - het is ten strengste verboden deze tekst of delen van deze tekst over te nemen zonder toestemming van de auteur.
Door Rik Kuiper - Quest, september 2008