Het gat in het water

 

De start was nooit zijn sterkste punt. Maar nu is er hoop voor zwemmer Bastiaan Tamminga. Dertien camera’s en een pak met zes lampjes moeten hem (en andere topzwemmers) helpen een paar honderdsten winst te pakken.


Nationaal Zwemcentrum de Tongelreep te Eindhoven. Het water in het trainingsbad van de Nederlandse zwemtop ligt er nog vredig bij. Maar dat duurt niet lang meer, want in een aangrenzend kantoortje trekt zwemmer Bastiaan Tamminga een grijs zwempak aan. Alleen handen, voeten en hoofd van de meervoudig Nederlands kampioen steken eruit.

Dit is niet zomaar een zwempak. Een schoenmaker heeft op de linker zijkant zes kleine vakjes van wit gaas genaaid. Op schouder, elleboog en pols. En op heup, knie en enkel. Uit zes rode plastic doosjes haalt Tamminga zes kleine lampjes. Hij knipt ze aan en schuift ze een voor een in de zakjes. Ze verspreiden fel wit licht. Niet veel later beklimt hij het startblok.


Beweging remt af

Een paar maanden eerder beklom de boomlange Tamminga een ander startblok. Even verderop, bij het wedstrijdbad van het Eindhovense zwembad, krulde de 26-jarige sprinter de tenen van beide voeten een paar centimeter over de rand. Het was 8 december 2007, de derde dag van de Dutch Open Swim Cup.

De starter riep: ‘Take your marks’. Tamminga boog zijn rug, zijn handen grepen het startblok tussen zijn voeten. De andere zeven finalisten op de 50 meter vlinderslag zag hij niet meer. Toen klonk het startsignaal.

Tamminga zette af. Handen vooruit, de spieren in zijn lange lijf gespannen. Zwevend door de lucht zoog hij zijn longen vol. Hij strekte zijn voeten tot ze in één lijn met zijn benen stonden. Dat scheelde weer een klein beetje weerstand.

Na een kleine anderhalve seconde raakten zijn vingertoppen het water. Drie tienden later waren ook zijn tenen onder. De eerste meters gleed Tamminga bewegingsloos door het water. De spieren nog altijd gespannen, het lichaam kaarsrecht. Elke beweging zou afremmen.

Toen begon hij zijn benen sierlijk te zwaaien. Onderwatervlinderen was zijn sterkste punt. Tamminga telde zijn slagen, zeven stuks. Precies op de vijftienmeterlijn kwam hij boven. Dat moest, zo stond het in de reglementen.

Nu gingen ook de armen aan het werk. Hij zwoegde en ploegde. Na vijftig meter tikte hij aan. Met twee handen, zoals het hoorde. Had hij gewonnen?


Start was slecht

Bastiaan Tamminga had sneller gezwommen dan die ochtend in de series. Maar het was niet voldoende geweest. De winnaar, de Canadees Joe Bartoch, was slechts een honderdste seconde sneller. Eén honderdste! Tamminga moest genoegen nemen met zilver.

Even later hoorde hij van zijn coach dat zijn bloktijd weer matig was geweest. Tussen het moment dat het startsignaal klonk en hij het startblok had verlaten zat 85 honderdsten. Te lang, veel te lang. De echt snelle jongens deden het binnen 70 honderdsten.

Van de acht finalisten was er maar één trager van het startblok gesprongen dan hij. Joe Bartoch, de enige man die vandaag sneller was, had op het startblok al elf honderdsten voorsprong gehad. Hadden ze het blok op hetzelfde moment verlaten, dan was Tamminga die middag als winnaar gehuldigd.

De start, die verdomde start. Het was altijd al zijn zwakke punt geweest. Al heel wat uren had hij erop geoefend. Op het droge ging hij in starthouding staan. Klonk het fluitsignaal, dan moest hij zo snel mogelijk opspringen. Klopspelletjes met de vuisten had hij ook gedaan. De knokkels tegen de knokkels van een andere zwemmer gedrukt. Lukte het hem zijn vuist op tijd weg te trekken als de ander hem probeerde te slaan? Je moest ermee uitkijken, voor je het wist blesseerde je elkaar.

De oefeningen hadden nooit veel geholpen. En dus sloeg de twijfel toe. Had hij wel de goede techniek?


Kan duik beter?

Vandaag, in zijn verlichte zwempak, hoopt Bastiaan Tamminga te achterhalen of hij anders moet leren duiken. Altijd gebruikte hij de traditionele manier van starten: twee voeten naast elkaar, de handen er tussenin. Maar het kan ook anders. Dan moet hij op het startblok klaarstaan als een hardloper voor de 100 meter sprint: één voet voor de ander, de handen aan de buitenkant naast de voeten. Een trackstart, zo heet dat. Is dat sneller?

Niemand in de zwemwereld kan het met zekerheid zeggen. Met het blote oog is het verschil niet te zien. En een coach met een stopwatch kan ook weinig uitrichten. Het draait om honderdsten. Zo nauwkeurig kan een mens niet klokken.

Naast het zwembad staat een blonde man van een jaar of 35. Hij draagt een overhemd en een spijkerbroek. Op zijn slippers staat met zwarte viltstift zijn voornaam geschreven: Roald. Dit is de eerste man ter wereld die het verschil tussen de traditionele start en de trackstart kan bepalen.

Roald van der Vliet is innovatiemanager bij de Tongelreep. De oud-zwemmer bestiert het ‘zwemlab’, de plaats waar Nederlandse topzwemmers met de nieuwste technologie kennismaken. Met zijn Start Analyser kan hij de start van topzwemmers heel nauwkeurig analyseren. Het gloednieuwe systeem moet Pieter van den Hoogenband, ook een zwakke starter, helpen aan zijn derde olympische gouden medaille op de 100 meter vrije slag.


Zwemmer ziet duik

Met zijn Brabantse tongval geeft Van der Vliet nu instructies aan Bastiaan Tamminga: ‘Je duikt, gaat voluit en komt na 15 meter boven. Daarna zwem je rustig terug.’

Hij drukt op een knop van de touchscreen aan de muur. De video-opname begint.

Kort daarna toont Tamminga zijn trackstart. Het water spat nauwelijks op. Mooi! Het gat in het water kleinhouden, dat is belangrijk bij de start. De voeten moeten op dezelfde plek het water in als de handen. Alsof je door een hoepel duikt. Want spetters kosten snelheid.

Als de zwemmer nog geen minuut later druipend op het droge staat, kan hij zijn eigen duik op de monitor bekijken. Beeldje voor beeldje ziet hij zichzelf door het water snijden. De eerste meters wordt hij omgeven door een wolk van witte luchtbellen, later ontworstelt hij zich daaraan. Wanneer zijn benen sierlijk beginnen te zwaaien, tekent hij een wit spoor in het bad. Dan zwemt hij het beeld uit.

‘Je hebt een gat van 25 centimeter’, zegt Van der Vliet tegen Tamminga. ‘Dat is echt superklein, niet normaal!’

‘Wat heeft Piet?’ wil Tamminga weten, nieuwsgierig of hij op dit vlak wellicht beter is dan Van den Hoogenband.

‘Zelf heb ik 56 centimeter’, zegt Van der Vliet. ‘En Pieter heeft een nog groter gat, dat weet ik zeker.’


Software zoekt lampje

De twaalf camera’s onder water en die ene erboven stellen Van der Vliet al jaren in staat mooie films van de zwemmers te maken. Maar wilde hij de bewegingen écht serieus beoordelen, dan moest hij uren achter zijn computer zitten. Van der Vliet tekende gele lijnen op de beelden, berekende afstanden en hoeken en trok daaruit conclusies. Een duik analyseren kostte een paar dagen. ‘Dat heb ik vorig jaar voor Pieter van den Hoogenband gedaan.’

Nu is het allemaal veel makkelijker geworden. Met dank aan een andere oud-zwemmer, een vriendelijke man wiens blote voeten in blauwe badslippers steken. Ook hij heeft er met stift zijn voornaam op geschreven. Zo hoort dat blijkbaar, in de zwemwereld. Marcel de Natris is een man van cijfers. Tijdens grote toernooien werkt hij als analist bij het Nederlands zwemteam. Gewapend met een camera en een laptop nestelt hij zich in de nok van het stadion. Een paar minuten na elke race speelt hij belangrijke gegevens door aan de coach.

Daarnaast heeft hij een eigen bedrijf, Swimwatch. Voor het zwemlab ontwikkelde hij, samen met TNO, de Start Analyser. Deze beeldherkenningssoftware zoekt in elk afzonderlijk filmbeeldje naar de zes lampjes op het pak van de zwemmer. Zo weet de computer op elk moment waar schouder, elleboog, pols, heup, knie en enkel zich bevinden. De software kan vervolgens maar liefst zeventig parameters berekenen, die allemaal direct op de monitor verschijnen. Hoe hard heeft de zwemmer afgezet? Wanneer raakten zijn vingers voor het eerst het water? Hoe diep was de duik? Wanneer kwam hij weer boven?


Trackstart lijkt beter

Aan het eind van de dag weet Tamminga nog steeds niet welke duiktechniek sneller is. Het systeem kent nog een paar kinderziekten. Maar de zwemmer is enthousiast. ‘Je kunt steeds vergelijken: heb ik het beter gedaan dan de vorige keer? Dat werkt motiverend.’

Een kleine twee weken later vertelt Tamminga door de telefoon dat hij opnieuw een uurtje met het nieuwe speelgoed heeft gespeeld. Ditmaal ging alles goed. Vier duiken deed hij: twee keer een traditionele start, twee keer een trackstart. Beide technieken bleken even snel te zijn. Toch klinkt de zwemmer opgewekt. Vanaf nu gaat hij over op de trackstart. ‘Ik heb er nog niet veel ervaring mee en toch ben ik al even snel. Als ik er écht op ga trainen moet het nog beter kunnen. Ik hoop dat ik nog vijf honderdste winst kan pakken.’



© Rik Kuiper / Quest - het is ten strengste verboden deze tekst of delen van deze tekst over te nemen zonder toestemming van de auteur.

Door Rik Kuiper - Quest, mei 2008

 
 

volgende >

< vorige

Home    Biografie    Artikelen    Columns    Boeken    Contact